Advies nodig?  088 - 47 47 000

(lokaal tarief)
ma-vr tot 21 uur | za tot 17 uur

In deze zaak stelt de curator twee bestuurders van Holding en Enterprises op grond van art. 2:248 BW aansprakelijk, omdat zij aldus de curator over de jaren 1999, 2000 en 2001 geen deugdelijke boekhouding hebben bijgehouden. Tevens stelt de curator dat zij over het jaar 2002 door Holding geen boekhouding is bijgehouden en door Enterprises zelden iets is bijgehouden. Dit nalaten van bestuurders zou een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn, volgens de curator.

Rechtsvragen

De rechter heeft in het kader van de beoordeling een deskundige benoemd, waaraan zij enkele vragen heeft gesteld:

  1. Kan er vastgesteld worden dat het bestuur van Holding in de jaren 1999, 2000, 2001 en 2002 zich niet aan zijn boekhoudplicht volgens art. 2:10 BW voldaan?
  2. Kan er vastgesteld worden dat het bestuur van Enterprises in de jaren 1999, 2000, 2001 en 2002 zich niet aan zijn boekhoudplicht volgens art. 2:10 BW voldaan?
  3. Heeft het bestuur van Holding en Enterprises niet voldaan aan de verplichting om binnen zes maanden na afloop van het boekjaar de balans en staat van lasten en baten op papier te stellen?

Vraag 1 en 2

Met betrekking tot het jaar 1999 stelt de deskundige dat er sprake is van een gebrekkige boekhouding, doordat er geen uitdraai van het grootboek is ontvangen. De vraag of er voldaan is aan de vereisten van art. 2:10 BW blijft onbeantwoord.  Omdat de curator niet heeft bewezen of er aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de rechter dat er geen sprake is van kennelijk onredelijk bestuur.

Betreffende het jaar 2000 oordeelt de rechter dat  niet is bewezen dat het bestuur van Holding en Enterprises haar boekhoudplicht heeft verzuimd, ondanks dat de curator feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die in een andere richting wijzen. De rechter stelt dat mag worden geacht dat deze feiten en omstandigheden in voldoende mate in de bevindingen en in de conclusie van de deskundige zijn begrepen. De rechter neemt dan ook deze bevindingen en conclusie over en oordeelt dat er geen sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur.

Voor het jaar 2001 geldt hetzelfde wat ten aanzien van het jaar 2000 is beslist. De curator heeft opnieuw verweren gevoerd tegen de bevindingen van de deskundige, maar de deskundige heeft dit alles onder ogen gezien en desondanks is hij gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat er voldaan is aan de eisen van de boekhoudplicht. De rechter sluit zich wederom bij deze conclusie aan.

Ten aanzien van het jaar 2002 is volgens de deskundige niet aan de boekhoudplicht voldaan. De bestuurders stellen dat de boekhouding over dit jaar op de server en pc stonden, welke na de inbeslagname van Rabobank verdwenen zijn. Uit de stellingen van de deskundige alsook van de curator blijkt niet dat dit verweer onjuist is. De rechtbank oordeelt dat de curator dus niet heeft bewezen dat de Holding en Enterprises haar boekplicht heeft geschonden.

De rechter concludeert dat de vordering van curator als ondeugdelijk worden verworpen.

Vraag 3

In het onderstaande zal de derde vraag behandeld worden. Door de deskundige alsmede door bestuurder 1 wordt er bij de beantwoording van deze vraag vanuit gegaan dat art. 2:210 lid 1 BW van toepassing is in plaats van art. 2:10 lid 2. Dit houdt in dat er binnen vijf maanden (in plaats van zes maanden) na afloop van het boekjaar een jaarrekening opgemaakt moet zijn. De rechter behandelt beide artikelen.  Er zal per bestuurder beschreven of hij zich aan de betreffende verplichting heeft gehouden.

Bestuurder 1

Bestuurder 1 kan ten aanzien van het jaar 1999 niet aansprakelijk gesteld worden in het tekort komen van de verplichting, omdat bestuurder 1 sinds 1 augustus 2000 is aangetreden als bestuurder. Deze bestuurder was dus op het moment dat de balans en staat van lasten en baten op papier gesteld moest zijn nog geen bestuurder. Tevens oordeelt de rechter dat bestuurder 1 ervoor heeft gezorgd dat de jaarrekeningen zo spoedig mogelijk heeft opgemaakt.

Tevens is ten aanzien van het jaar 2000 de verplichting geschonden. Echter is bestuurder 1 niet aansprakelijk doordat hij vanaf 1 maart 2001 niet langer bestuurder van Holding en Enterprises is en de wet geen aansprakelijkheid kent van een bestuurder voor onbehoorlijk bestuur dat eerst na zijn aftreden heeft plaatsgevonden. De rechter gaat tevens in op het feit dat bestuurder 1 wel aansprakelijk kan worden gesteld voor onbehoorlijk bestuur wat heeft plaatsgevonden na zijn aftreden. Bestuurder 1 heeft aangevoerd dat hij tot 1 maart 2001 heeft gewerkt aan het samenstellen van de voorlopige jaarrekening. De rechter concludeert dat hij zich zodanig heeft ingespannen dat het bestuur na zijn vertrek in staat moet zijn geweest om de jaarrekening tijdig op te stellen.

Ten aanzien van de jaren 2001 en 2002 is bestuurder 1 niet aansprakelijk , aangezien de wet geen aansprakelijkheid kent van een bestuurder voor onbehoorlijk bestuur dat eerst na zijn aftreden heeft plaatsgevonden. Indien bestuurder 1 wel aansprakelijk kan zijn voor onbehoorlijk bestuur wat heeft plaatsgevonden na zijn aftreden, oordeelt de rechter het volgende. Het faillissement van Holding is op 29 mei 2002 en van Enterprises is op 20 februari 2002 uitgesproken. Op deze data vervalt de verplichting om binnen de wettelijke termijn een jaarrekening op papier te stellen. Ten aanzien van het jaar 2001 hoefde de jaarrekening nog niet op papier te zijn gesteld en betreffende het jaar 2002 was er in zijn geheel nog geen verplichting tot het opstellen van een jaarrekening.

Bestuurder 2

Bestuurder 2 is ten aanzien van het jaar 1999 niet aansprakelijk in het tekort schieten van de verplichting, omdat hij pas vanaf 1 juni 2001 aantrad als bestuurder. De gevolgen van het nalaten van de verplichting waren voor die datum al afgewend door bestuurder 1.

Ten aanzien van het jaar 2000 moest op grond van art. 2:210 lid 1 BW uiterlijk op 31 mei 2001 een jaarrekening zijn opgesteld.  Gelet op het feit dat bestuurder 2 pas op 1 juni 2001 aantrad als bestuurder is het onbehoorlijk bestuur niet aan hem te wijten. Tevens heeft hij na zijn aantreden als bestuurder zich aanzienlijk ingespannen om de aangetroffen administratie op orde te brengen. Bestuurder 2 heeft zich hier met succes op art. 2:248 lid 3 BW, de disculpatiegrond, beroepen. De rechter oordeelt dat dit verweer ook slaagt indien art. 2:10 lid 2 van toepassing zou zijn, dus indien men tot 1 juli 2000 de tijd zou hebben gehad om de jaarrekening op te stellen.  Bestuurder 2 is dus niet aansprakelijk.

Bestuurder 2 heeft op 20 november 2001 zijn functie als bestuurder neergelegd. Dit houdt in dat hij ten aanzien van de jaren 2001 en 2002 om dezelfde redenen als bestuurder 1 niet aansprakelijk gesteld kan worden.

Conclusie

De rechtbank oordeelt dat alle grondslagen van de tegen bestuurders gerichte vorderingen falen en dat de vorderingen worden afgewezen. Bestuurder 1 en bestuurder 2 worden dus niet aansprakelijk op grond van art. 2:248 BW.

De advocaten bij Beljon Business Law hebben veel ervaring op het gebied van bestuurdersaansprakelijkheid. Neemt u voor meer informatie contact met ons op via het nummer 088 – 4747000 of per e-mail: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. . Wij geven u graag meer informatie en een persoonlijk advies.

Bron/vindplaats: rechtbank Utrecht 9 november 2011, LJN BU4413.

Mr. Dries Beljon - met medewerking van Gerna van den Adel

Kantoor Amsterdam

‘Atrium Gebouw’ – Regus
Strawinskylaan 3051
1077 ZX Amsterdam
t 088 - 4747000
f 088 - 4747047

Kantoor Utrecht

Gebouw 'Einstein'
Einsteindreef 105
3562 GB Utrecht
t 088 - 4747000
f 088 - 4747047