Advies nodig?  088 - 47 47 000

(lokaal tarief)
ma-vr tot 21 uur | za tot 17 uur

Werknemer beëindigt zijn arbeidsrelatie met (de voorganger van) UWV. Voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst wordt hij geschorst vanwege ongeoorloofde nevenactiviteiten en belangenverstrengeling. UWV heeft daarnaast bij wijze van maatregel verklaard niet bereid te zijn voor de duur van twee jaar zakelijke contacten te onderhouden met een eigen onderneming of een onderneming waarbij hij financieel betrokken is. Vordering tot intrekking of beperking van deze maatregel door de werkgever wordt afgewezen.

Bij dagvaarding van 30 maart 2009 is de werknemer in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter) in het kort geding tussen partijen (de werknemer en UWV WERKbedrijf en UWV als gedaagden) onder zaaknummer KK 2009/148 heeft gewezen en dat is uitgesproken op 13 maart 2009.

De werknemer is vanaf 1 juni 2003 bij het Centrum voor Werk en Inkomen (“CWI”) in dienst geweest, laatstelijk in de functie van bedrijfsadviseur met als standplaats Hilversum. De werknemer heeft het dienstverband op 4 augustus 2008 opgezegd. Op 16 september 2008 heeft het CWI [appellant] voor de resterende duur van de arbeidsovereenkomst geschorst wegens ongeoorloofde nevenactiviteiten en belangenverstrengeling. Het dienstverband is op 1 oktober 2008 geëindigd. Het Bureau Integriteit van UWV heeft in het najaar van 2008 een onderzoek verricht naar de werknemer naar aanleiding van een melding van een mogelijke schending van integriteitregels en heeft hiervan op 1 november 2008 rapport uitgebracht aan de directeur van het CWI. Met ingang van 1 januari 2009 is het CWI opgegaan in UWV WERKbedrijf. Bij brief van 9 januari 2009 heeft de voorzitter van de Raad van Bestuur van UWV voor zover hier van belang het volgende aan de werknemer bericht:

"Het Bureau Integriteit heeft uiteindelijk vastgesteld dat u zich inderdaad heeft beziggehouden met het (mede)oprichten van een onderneming en dat u daarmee nevenactiviteiten heeft ontplooid waarvoor de (op grond van de CAO) noodzakelijke goedkeuring van uw manager ontbrak. Deze activiteiten heeft u veelal verricht onder werktijd van CWI, waardoor ook misbruik van werktijden is vastgesteld. Voorts is vastgesteld dat u daarbij misbruik heeft gemaakt van de bedrijfsmiddelen die CWI u ter beschikking heeft gesteld (mobiele telefoon, pc, mailaccount en leaseauto). Tevens bestaat het vermoeden dat u de CWI toegangspas van uw kantoor beschikbaar heeft gesteld aan derden. Tot slot is vastgesteld dat u vertrouwelijke informatie van klanten van CWI heeft opgevraagd en ontvangen met het doel deze te gebruiken in een door u, met derden, op te zetten onderneming. Deze gegevens behoorden niet tot uw aandachtsgebied en u heeft daarmee niet alleen de doelbinding van deze gegevens geschonden, maar ook een ernstige inbreuk gemaakt op het vertrouwen bij de klanten van CWI dat de gegevens waarover CWI vanuit zijn publieke taak beschikt, adequaat worden beheerd en uiterst vertrouwelijk worden behandeld.

Dit zijn stuk voor stuk ernstige overtredingen die - zeker als zij in hun onderlinge relatie worden beschouwd - een ontslag rechtvaardigen.

U heeft echter al ontslag genomen per 1 oktober 2008. Het is ons bekend dat u nu activiteiten ontplooit die in het verlengde liggen van uw eerdere taken bij CWI. Waar u eerder vanuit CWI de samenwerking zocht en creëerde met werkgevers, zoekt u nu die samenwerking met CWI vanuit die werkgevers.

Gelet op de vaststellingen door Bureau Integriteit is het ondenkbaar dat u nu in een andere hoedanigheid op dit zelfde terrein betrokken blijft. Ons vertrouwen in u is daartoe te ernstig geschonden. Bij deze deel ik u daarom mee dat UWV gedurende de kalenderjaren 2009 en 2010 geen zakelijke contacten zal onderhouden met u persoonlijk of met bedrijven waarin u aanzienlijke zeggenschap heeft. Voor de goede orde: deze beslissing betreft geheel UWV, niet alleen UWV WERKbedrijf waarin CWI op 1 januari jl. is opgegaan of de regio waarin u voor CWI werkzaam was. Voorts verbied ik u de toegang tot UWV locaties anders dan als cliënt van UWV."

De werknemer heeft UWV op 16 februari 2009 gedagvaard. Hij heeft voor zover thans nog van belang gevorderd - kort gezegd - dat UWV wordt veroordeeld tot intrekking van het contact- en toegangsverbod, althans tot beperking van dit verbod en tot het zich onthouden van het doen van negatieve uitlatingen over de werknemer, alles op straffe van verbeurte van ee n dwangsom van € 1.000,- per dag, en tot betaling van een voorschot op vergoeding van materiele en immateriële schade van € 50.000,- respectievelijk € 5.000,-. De rechtbank heeft de vorderingen van de werknemer afgewezen en heeft hem in de proceskosten verwezen. Hiertegen komt de werknemer in hoger beroep op.

Met de grieven I tot en met V stelt de werknemer de vraag aan de orde of de door het Bureau Integriteit geconstateerde overtredingen zoals samengevat in de brief van 9 januari 2009 de in die brief opgenomen maatregel tegen de werknemer rechtvaardigen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Bij de beoordeling van de grieven is volgens het hof allereerst van belang of de in de brief van 9 januari 2009 genoemde overtredingen een voldoende feitelijke grondslag hebben en of het rapport van het Bureau Integriteit waarin deze overtredingen worden geconstateerd op voldoende zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Naar voorlopig oordeel van het hof is dit het geval. Het Bureau Integriteit heeft een uitgebreid onderzoek verricht en heeft de betrokken personen, waaronder de werknemer, gehoord. De werknemer heeft de gelegenheid gekregen een reactie op de bevindingen van het Bureau Integriteit te geven. De werknemer bestrijdt weliswaar dat hij betrokken was bij de oprichting van de onderneming XXX en dat hij in dat verband oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van bedrijfsmiddelen en informatie waarover hij op grond van zijn functie beschikte, maar hij heeft (voorshands) de aan de hand van verklaringen van betrokkenen en bewijsstukken onderbouwde feitelijke constateringen in het rapport van het Bureau Integriteit niet kunnen weerleggen. Voor een nader feitelijk onderzoek is in het onderhavige kort geding geen plaats.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of UWV in strijd handelt met de van haar in het maatschappelijk verkeer te vergen zorgvuldigheid door de tegen de werknemer genomen maatregel dan wel door de wijze waarop UWV deze maatregel handhaaft.

4.6.  Het UWV heeft bij gelegenheid van de pleidooien desgevraagd de reikwijdte van de genomen maatregel en van de wijze waarop deze zal worden gehandhaafd als volgt toegelicht:

-  UWV is tot en met 2010 niet bereid zakelijke contacten te onderhouden met een eigen onderneming van de werknemer of een onderneming waarbij de werknemer financieel is betrokken of waarover hij zeggenschap uitoefent op het gebied van de arbeidsbemiddeling en/of reïntegratie;

-  UWV is wel bereid contacten met de werknemer te onderhouden voor zover hij in loondienst bij een aan UWV bekende onderneming (waarbij de werknemer verder niet financieel is betrokken en waarover hij geen zeggenschap uitoefent) werkzaamheden verricht op het gebied van arbeidsbemiddeling en/of reïntegratie.

Naar het oordeel van het hof handelt UWV door het nemen en aldus handhaven van deze maatregel niet onrechtmatig ten opzichte van de werknemer. UWV heeft als instelling belast met een publiekrechtelijke taak een gerechtvaardigd belang bij het bewaken van de integriteit van ondernemingen waarmee in het kader van de uitoefening van die publiekrechtelijke taak zakelijke contacten worden onderhouden. Wanneer, zoals hier het geval is, een voormalig werknemer na beëindiging van het dienstverband een eigen onderneming begint op het gebied van de arbeidsbemiddeling c.q. reïntegratie waaruit (regelmatige) zakelijke contacten met UWV zullen voortvloeien, terwijl het UWV op grond van (recente) gedragingen van deze voormalige werknemer gedurende het dienstverband serieuze gronden had om aan de zakelijke integriteit van deze persoon te twijfelen, handelt het UWV niet in strijd met de van haar te vergen zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer door de zakelijke contacten met deze persoon voor een in de tijd beperkte periode op te schorten.

Bij dit oordeel wordt in aanmerking genomen dat UWV bij de uitvoering van de maatregel geen belemmeringen opwerpt (in elk geval thans niet meer opwerpt) tegen professionele activiteiten van de werknemer op het gebied van de arbeidsbemiddeling c.q. reïntegratie wanneer hij deze ontplooit als werknemer in loondienst en dat UWV ter zitting heeft toegezegd met betrekking tot deze werkzaamheden het contact- en toegangsverbod niet (langer) te zullen handhaven, ook voor zover de werknemer bij YYY in loondienst zal treden. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de maatregel in de tijd is beperkt, zodat de werknemer er van mag uitgaan dat hij met ingang van 2011 met een eigen onderneming op het gebied van arbeidsbemiddeling c.q. reïntegratie zakelijke contacten met UWV zal kunnen onderhouden.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat er voorts niet een zodanige onevenredigheid bestaat tussen het belang van UWV bij het nemen van de maatregel en het belang van de werknemer dat hierdoor wordt geschaad dat UWV in redelijkheid niet tot het nemen van die maatregel had kunnen komen. Het beroep van de werknemer op artikel 3:13 BW faalt, indien er van zou moeten worden uitgegaan - de werknemer veronderstelt dit kennelijk - dat UWV de maatregelen heeft genomen in het kader van een haar toekomende (privaatrechtelijke) bevoegdheid.

Bij het uitvaardigen en handhaven van de maatregel is misbruik van economische machtspositie door UWV niet aannemelijk geworden. Hoewel de weigering van UWV met een onderneming op het gebied van arbeidsbemiddeling c.q. reïntegratie een contractuele relatie (een mantelovereenkomst) aan te gaan, onder omstandigheden misbruik van deze machtspositie kan opleveren, zijn dergelijke omstandigheden in dit geval niet gesteld en evenmin anderszins gebleken. Er zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat UWV door het opleggen van de maatregel de eigen concurrentiepositie heeft versterkt of heeft willen versterken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de weigering met de werknemer een mantelovereenkomst aan te gaan in de tijd is beperkt tot twee jaar en dat geen belemmeringen worden opgeworpen tegen het binnen deze termijn van twee jaar onderhouden van zakelijke contacten met de werknemer mits hij bij een niet door hem gecontroleerde onderneming in loondienst is.

De werknemer heeft nog aangevoerd dat de brief van 9 januari 2009 het karakter heeft van een disciplinaire maatregel en dat UWV niet als een goed werkgever handelt door het opleggen daarvan. Ook indien - veronderstellenderwijs - er van wordt uitgegaan dat in de onderhavige situatie de vereisten van goed werkgeverschap voortleven na het einde van het dienstverband en dat de maatregel tegen de werknemer als disciplinaire maatregel kan worden aangemerkt, heeft UWV gelet op de in rechtoverwegingen 4.7 en 4.8 genoemde omstandigheden geen inbreuk gemaakt op deze eisen door het opleggen en handhaven van de maatregel.

Het voorgaande voert het hof tot de conclusie dat de grieven I tot en met V falen.

Grief VI betreft het verbod op het doen van negatieve uitlatingen over de werknemer. De werknemer heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat UWV in oktober en november 2008 aan de Industriële Vereniging Weesp en de gemeente Weesp, alsmede aan YYY heeft laten weten dat niet werd samengewerkt met de werknemer. Uit de door de werknemer overgelegde gegevens is niet aannemelijk geworden dat UWV in deze uitlatingen verder is gegaan dan strikt noodzakelijk om deze partijen met wie UWV tot 1 oktober 2008 in de persoon van de werknemer zakelijke contacten onderhield te informeren over de tegen de werknemer genomen maatregel. Deze handelwijze kan niet als onrechtmatig jegens de werknemer worden aangemerkt. Voorts is niet aangevoerd en ook niet anderszins gebleken dat UWV recent nog mededelingen aan derden heeft gedaan over de tegen de werknemer genomen maatregel. De werknemer mist een voldoende (spoedeisend) belang bij zijn vordering op dit punt. De grief faalt reeds op die grond.

Met grief VII stelt de werknemer het gevorderde voorschot op materiele en immateriële schadevergoeding aan de orde. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat voor een dergelijk voorschot geen gronden bestaan. De grief faalt.

Conclusie

De grieven falen en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.

Bron: LJN: BK1674, Gerechtshof Amsterdam , 200.030.023/01 SKG

Kantoor Amsterdam

‘Atrium Gebouw’ – Regus
Strawinskylaan 3051
1077 ZX Amsterdam
t 088 - 4747000
f 088 - 4747047

Kantoor Utrecht

Gebouw 'Einstein'
Einsteindreef 105
3562 GB Utrecht
t 088 - 4747000
f 088 - 4747047